Hsue

Geopoeia
Jump to: navigation, search
En.gif

"Hsue" is de naam voor het volk dat in de 59e eeuw in twee golven vanuit Gorogir naar het zuidoosten van Demani in Taratai migreerde, en voor de afstammelingen van dat volk. De Hsue vestigden zich aanvankelijk in het kustgebied, maar migreerden geleidelijk naar de binnenlanden. Door immigratie van Wacamakalit en ander omstandigheden verplaatste het centrum van de Hsue cultuur zich steeds verder naar het noorden langs het Thechunggebergte naar het huidige Yoğor. In de 64 eeuw migreerde een deel naar een gebied ten noordoosten van het Ukutagebergte (Urkheyen en Carcuŋŭatu). Tegenwoordig leeft slechts een minderheid van de Hsue in drie onafhankelijke Hsue-meerderheidsstaten. De rest leeft in Sambekistan, West-Kuanga, Thurilië, en verspreid door heel Taratai, maar met name in kleinere gemeenschappen in de grotere steden aan de Tarataizee.


Hsue
volk in Taratai
grootte: ca. 2,5 mln

woongebied: Yoğor, Sambekistan, Urkheyen, Carcuŋŭatu, Thurilië, en verspreid elders in Taratai.

talen: Hsue Talen, Hsue Creooltalen, plaatselijke talen.

religie: Irshanisme.

naam

(toe te voegen)

geschiedenis

emigratie uit Gorogir

De voorouders van de Hsue leefden in een klein, volledig door land ingesloten koninkrijk in het zuiden van Gorogir grenzend aan Majani. Omstreeks de 55e eeuw werd aan het Majanimeer door de Udumanen een nieuwe hoofdstad gesticht. Vanuit die stad spreidde het Udumaanse rijk zich langzaam uit. In het begin van de 59e eeuw vielen de Udumanen Gorogir binnen via twee routes, een noordelijke en een zuidelijke. Het eerste gebied in Gorogir op de weg van de zuidelijke route was het Hsue thuisland. De Udumanen richtten daar grote verwoestingen aan en een groot deel van de Hsue vluchtte in zuidelijke richting, over de bergen naar Misitu. De vluchtelingen trokken door de wouden van Misitu in westelijke richting naar Tangbangtroi en vervolgens langs de kust van de Koraezee naar het gebied dat later de naam Zuid-Yoğor zou krijgen in het uiterste zuid-oosten van Taratai.

Deze migratie vond in twee golven plaats. De eerste was een groep die vluchtte in het begin van de 59e eeuw voor de eerste verovering door de Udumanen. Hoe groot de groep vluchtelingen was is onbekend, maar vermoedelijk bereikte minder dan de helft Zuid-Yoğor. Misitu en Tangbangtroi zijn bijzonder onherbergzaam en hebben een aantal grote rivieren (waaronder de grootste rivier van Durdaste) die moeilijk zijn over te steken. Bovendien, de schaarse inboorlingen van met name Tangbangtroi zijn uiterst vijandig tegenover vreemdelingen, en de minder schaarse beren in dat gebied vormden wellicht een nog grotere bedreiging (maar ook een belangrijke bron van voedsel).

Een tweede groep Hsue vluchtelingen volgde ongeveer een eeuw later. Wat precies die twee vluchtelingenstroom in gang zette is onbekend, maar had eveneens met Udumaanse brutaliteiten te maken. Over het lot van de Hsue die achter zijn gebleven is evenmin iets bekend, want na die tweede vluchtelingenstroom heeft er geen contact meer plaatsgevonden met het oorspronkelijke Hsue thuisland.

vestiging in Zuid-Yogor

De Hsue vestigden zich aan de kust van Zuid-Yoğor in een gebied dat toen slechts een zeer kleine bevolking van vissers en pelsjagers verwant aan de volkeren van Thandirat had. Vermoedelijk waren de Hsue talrijker dan de plaatselijke bevolking (zeker na de tweede immigratiegolf) en ze waren in elk geval in de meeste opzichten veel verder ontwikkeld. De inboorlingen die niet naar Thandirat migreerden werden geheel door de Hsue geassimileerd.

De Hsue leefden in hun oorspronkelijke thuisland van kleinschalige tuin- en akkerbouw en extensieve veeteelt en probeerden dezelfde leefwijze toe te passen in Zuid-Yoğor. Het gebied is echter te koud voor veel gewassen en bovendien hadden de Hsue weinig zaden mee kunnen nemen (en de meeste zaden die ze hadden kwamen niet op). Visserij was daarom een belangrijke bron van voedsel. Pogingen tot tuin- en akkerbouw werden echter niet opgegeven, en de Hsue spreidden zich langzaam uit in noordelijke richting. Langs het Thechunggebergte werden valleien gevonden met noordelijke hellingen die dankzij de zon een microklimaat hadden (en hebben) dat geschikter is voor het verbouwen van een paar gewassen. In ongeveer twee eeuwen ontwikkelden de Hsue een economie gebaseerd op extensieve veeteelt, kleinschalige landbouw, jacht, visserij, en een uitgebreid netwerk van ruilhandel in gedroogde voedingsmiddelen.

trek naar het noorden

Noord-Yoğor, het gebied van het huidige land Yoğor is weliswaar droog, maar aanmerkelijk warmer dan Zuid-Yoğor en daardoor een stuk productiever en geleidelijk verplaatste het zwaartepunt van de Hsue cultuur zich daarom steeds verder naar het noorden. Vanwege isolatie bleef het zuidoosten van Sambekistan inclusief Zuid-Yoğor in de Zwarte Eeuw de pest grotendeels bespaard, maar een serie van extreem strenge winters leidde tot een toenemende migratie in noordelijke richting. In de tweede helft van de 64e eeuw begon een migratie langs het Thechunggebergte door Thurilië, over het Ukutagebergte, naar een gebied dat in de Zwarte Eeuw door pest en Udumanen verwoest was. De migratiestroom naar dit gebied werd verder versterkt in de 65e eeuw vanwege spreiding van de Wacamakalit naar Zuid-Yoğor en overbevolking (en daaruit voortkomende onrusten) in Yoğor. Mede vanwege een aantal kleinere en meer lokale migratiestromen in Transukutanië (het huidige Urkheyen en Carcuŋŭatu) vormden de Hsue aan het begin van de 67e eeuw aldaar de overgrote meerderheid.

Hsue migreerden echter niet alleen naar Urkheyen en Carcuŋŭatu (en die landen bestonden trouwens toen nog niet). Een deel van de Hsue vestigden zich ergens op de route in een vallei van het Thechunggebergte in Thurilië. En een deel trok na het Ukutagebergte te zijn overgestoken naar andere delen van Amagome. Daarnaast bestond er al sinds vele eeuwen eerder een kleine stroom van avonturiers en missionarissen die zich overal in Taratai vestigden. Vanaf de 64 eeuw veranderde ook dit van druppels in een stroom en in veel landen rondom de Tarataizee ontstonden kleine Hsue gemeenschappen (van enkele honderden tot enkele duizenden personen). In de meeste gevallen specialiseerden die gemeenschappen zich in specifieke ambachten en waren ze - behalve in economisch opzicht - nogal in zichzelf gekeerd. De meeste van die gemeenschappen hebben dan ook een sterke Hsue identiteit weten te behouden.

(Meer over recente geschiedenis (m.n. in Amagome) toe te voegen.)

recente geschiedenis

Na het Congres van Mistel migreerden enkele tienduizenden Hsue vanuit Zuid-Yoğor naar Urkheyen (en in mindere mate ook Carcuŋŭatu), maar de meeste hadden grote moeite aldaar te integreren en is inmiddels teruggekeerd of naar elders vertrokken (meestal naar één van de grote steden met een Hsue gemeenschap).

(Details over het lot van de Diaspora toe te voegen.)

huidige geografische verspreiding en demografie

land/gebied regio aantal opmerkingen
Sdacudoi Utai / Tai 107,000 60,000 in de westelijke vazalstaten (m.n. Skachora). 47,000 in Fibã, Isu Fiu en I Cberõ.Zie hieronder.
West-Kuanga Utai 236,000 Zie hieronder.
Taratur Utai n.t.b.
overig Utai Utai 1,000 Oliago, Linkwenda, en westelijke vazalstaten van het Senkoldistische Rijk.
Senkoldistische Rijk Amagome 28,000
Misonia Amagome 4,000 In Mistel.
Oost-Kuanga Amagome 3,000
het Verbonden Voorland Amagome n.t.b. Met name in de grotere steden.
Morün-Oı̯omod Amagome 62,000 Meest Urkhezen.
Hirrië Amagome n.t.b. Ca. 20.000 Urkhezen (m.n. in het oosten) en daarnaast een veel groter aantal behorende tot de Hsue Diaspora in de grote kuststeden.
Urkheyen Amagome 203,000 Onafhankelijk land. Ongeveer 85% Hsue (meest Urkhezen; Tsartsungaanse minderheid).
Carcuŋŭatu Amagome 160,000 Onafhankelijk land. Ongeveer 95% Hsue (meest Tsartsungaans; Urkheze minderheid)
overig Amagome Amagome 3,000 1500 in Ngan Hyu. 1500 in Opper-Ulughe. Enkele honderden in Tatsufa, Oreva, en de oostelijke vazalstaten van het Senkoldistische Rijk.
Thurilië Demani 221,000 178.000 in het westelijke kustgebied (met concentraties in de grotere steden). 43.000 verspreid in kleine dorpen langs het Thechunggebergte en Ukutagebergte.
Yoğor Demani 456,000 Onafhankelijk land. Meer dan 90% Hsue (meest Yongoren).
Sambekistan Demani 246,000 226,000 in Zuid-Yoğor (maar veel Hsue in deze regio hebben ook Wacamakalit voorouders (en andersom)). 20,000 in het noordwesten.
Uhh Demani 9,000
Dogau Demani 40,000 In de noordoostelijke kuststeden.
Drie Koninkrijken Tao n.t.b.
Zeven Steden Tai 9,000 Op Erǫne. Mogelijk meer elders. (N.t.b.)
Karandis Tai 8,000 Zie hieronder.
overig Tai Tai 1,000 Chrounïngë, Burek, Avalgo, en andere kleine landen in Tai.
totaal

de Hsue Diaspora

(toe te voegen Overleg over deze paragraaf is nodig. Klik voor de "discussion" pagina.)

Sdacudoi

Al voor de stichting van Sdacudoi als land waren er Hsue actief als ambachtslieden rondom de binnengolf. Na de opkomst van Sdacudoi als dominante natie in west-Taratai werden dit er langzaamaan meer. De relatie tussen de in Sdacudoi dominante Cefaludoi, aanhangers van het Pisticixu, en de Hsue verliep niet altijd gemakkelijk vanwege de religieuze verschillen tussen beide groepen. Regelmatig werden er limitaties opgelegd aan de Hsue minderheid en zeker na de Dasarbo-Sdacudoiaanse Oorlogen, tussen 7212 en 7252, werd de situatie vanwege de toenemende invloed van de militair-religieuze orden steeds moeilijker. Velen namen de wijk richting oosten en streken neer op de Isu Fiu en I Cberõ, de noordoostelijke eilanden van Sdacudoi, gebieden waar men vrijer de eigen religie kon beleven vanwege de relatief grote historische autonomie van deze gebieden.

Na de Sdacudoiaanse Reformatieoorlog, waarin de orden de macht grepen en het Duumviraat oprichtten, werd een schrikbewind uitgevoerd om religieuze eenheid te bewerkstelligen. Tijdens deze periode vluchtten grote groepen Hsue richting veiliger oorden, de achterblijvers, archieven spreken over 28.000 Hsue, werden terechtgesteld. De op de Isu Fiu en I Cberõ levende Hsue wisten deze zuiveringen te ontlopen waardoor zij hedendage geconcentreerd wonen in de verschillende havensteden op deze eilanden. Op de Isu Fiu wonen zo'n 15.000 Hsue, in I Cberõ 27.000 en in de Fibã zo'n 5.000 in de kuststeden. In rest van Sdacudoi wonen kleine groepen Hsue met name in de westelijke vazalstaten waar geen schrikbewind werd gevoerd.

Karandis

Tot de 75e eeuw leefden er ongeveer 90.000 Hsue in Karandis (waaronder sinds de 73e eeuw een grote groep immigranten uit Sdacudoi), maar in en na de oorlogen van 7418 tot 7429 zijn er veel omgekomen of gevlucht. Sommige Karandezen zagen de Hsue als handlangers van de Misonen en hebben achterblijvers na 7435 verjaagd. Tegenwoordig zijn er nog ongeveer 8000 over, verdeeld in kleine gemeenschappen in de grotere steden.

West-Kuanga

West-Kuanga was na de epidemieën, hongersnoden en oorlogen van de Zwarte Eeuw slechts dun bevolkt. Terwijl Kniezen en Ikariërs (vanwege de oorlogen) als vijandig werden beschouwd, werden Hsue immigranten welkom geheten. De Hsue brachten landbouw, schrift (al gebruikten de Kuanga dat schrift nooit en ontwikkelde ze hun eigen schrift in reactie op het Hsue schrift), en het Irshanisme. Tienduizenden Hsue migreerden naar West-Kuanga en dat aantal zou geleidelijk verder groeien. In de 73e eeuw kwamen daar nog eens tienduizenden Hsue vluchtelingen uit Sdacudoi bij. Tegenwoordig heeft West-Kuanga daardoor de grootste Hsue gemeenschap buiten Groot-Yoğor en Transukutanië. Bijna 13% van de bevolking van het land beschouwt zichzelf als Hsue. (Maar een aanzienlijk deel daarvan heeft ook Kuanga voorouders, en er bestaat eveneens een grote groep die zichzelf als Kuanga identificeert maar ook Hsue voorouders heeft.)

cultuur