Geschiedenis van Kwang Yung

Geopoeia
Jump to: navigation, search

De grootste bevolkingsgroep van Kwang Yung, de Qán, stamt af van 15e eeuwse Chinese piraten en Afrikaanse slavinnen. Ze vestigden zich in het huidige Kwang Yung in 1466.

(Inleiding uit te breiden.)


omzwervingen (van 1418 tot ca. 1480)

De Chinese vlootcommandant Zheng He zond tijdens zijn vijfde reis (1417-1419) een drietal schepen met een gezamenlijke bemanning van ongeveer 500 man op een missie om de zuidoostkust van Afrika te verkennen. De Chinezen waren toen tot Oost-Afrika gekomen, maar niet veel verder naar het zuiden. Deze verkenningsmissie passeerde in 1418 de Kaap de Goede Hoop, maar vlak daarna brak er een muiterij uit, en de verkenners veranderden vervolgens in piraten. Als zodanig voeren ze langs de zuidwestkust van Afrika langzaam naar het noorden (wetend dat terugkeer naar het oosten confrontatie met Zheng He en een zekere ondergang zou betekenen).

Tsing Fú Dháo (Annobón)

In 1419 vestigden de piraten hun eerste basis op Tsing Fú Dháo (青福島) / Annobón. Vanuit die basis vielen de piraten gemeenschappen aan de zuidwestelijke kusten van Afrika aan (m.n. in het gebied van het huidige Angola tot Nigeria). Belangrijke roofgoederen waren aanvankelijk vooral vee, relatief houdbare etenswaren (en zaden), en vrouwen. Die vrouwen leefden op Tsing Fú Dháo / Annobón min of meer in slavernij. De meeste piraten hadden één tot drie slavinnen die zorg droegen voor vee (dat overigens gemeenschappelijk eigendom van de gehele gemeenschap was), kleine akkertjes bebouwden, voedsel bereidden en andere huishoudelijke taken verrichten, en - belangrijkst van allemaal - nageslacht van de piraten produceerden.

De gemeenschap op Tsing Fú Dháo / Annobón groeide geleidelijk door de aanvoer van vrouwen en geboorte van kinderen, maar het aantal mannelijke piraten daalde licht. Sommige overleden aan verwondingen opgelopen bij piratenacties, maar er vielen ook slachtoffers bij een aantal slavinnen-opstanden (die op uiterst gewelddadige wijze onderdrukt werden).

In 1441 werd een lijst opgesteld van alle piraten en hun directe mannelijke nakomelingen. De meeste piraten waren ongeletterd, maar dikwijls konden ze wel hun eigen naam schrijven (en anders was er wel iemand anders die dat kon). De oorspronkelijke lijst bestond uit niet veel meer dan 389 familienamen (waarvan sommigen gemarkeerd met 死 om aan te geven dat ze overleden waren) gevolgd door een aantal streepjes voor het aantal mannelijke nakomelingen. Alleen overleden piraten zonder mannelijk nageslacht ontbraken op de lijst. Dubbele familienamen werden onderscheiden door toevoeging van een windstreek of ander Chinees karakter. Doel van de lijst was vooral politiek. De piraten namen hun beslissingen door middel van een soort gekozen parlement waarvoor alleen de piraten zelf stemrecht hadden. Dat stemrecht was echter erfelijk: na overlijden van een piraat ging het over op diens oudste zoon. Vanwege de toename van het aantal kinderen en het overlijden van piraten (die inmiddels allemaal over de 40 jaar oud waren, veel zelfs over de 50) werd het steeds meer noodzakelijk om e.e.a. beter te regelen. Iedere "clan" (shong 宗) kreeg één stem voor de shong guei 宗會 (de 'clan-raad'), waarbij 'clan' gedefinieerd werd als een piraat en al zijn mannelijke nakomelingen in rechte lijn. Voornoemde lijst was dus een lijst van clans. Zowel de lijst als shong guei bestaan nog steeds. (Zie: Qán Clans.)

nieuwe omzwervingen, en vestiging in Kwang Yung

Op Tsing Fú Dháo / Annobón ontstond geleidelijk een tweedeling tussen een groep piratenzonen die de piraterij wilde uitbreiden en een groep die piraterij juist wilde opgeven en op het eiland een boerenbestaan wilde opbouwen. De bestaanswijze van de twee groepen was in sterke mate complementair en de tweedeling leidde ook niet tot conflict, maar omstreeks 1450 besloot shong guei (het 'parlement') dat aan de zuidwest-Afrikaanse kust onvoldoende te halen viel en dat het tijd werd om verder naar het noorden te trekken. Een groot deel van de volwassen mannen laadde vrouwen, kinderen, wapens en nog wat andere benodigdheden op een aantal (nieuw gebouwde) grote schepen en voer in noordwestelijke richting. Deze piraten ontwikkelden de praktijk om zich langdurig verborgen te houden in een tijdelijke schuilplaats en dan plotseling ergens toe te slaan, waarna ze zich weer in die schuilplaats terug trokken of elders een nieuwe stichtten (in dat laatste geval waren de vrouwen en kinderen al naar die nieuwe lokatie gebracht voordat de piraten-aanval plaatsvond). Ze zagen daarin een verwantschap met zangcicaden, insecten zich jaren onder de grond verbergen en dan plotseling tevoorschijn komen, en vernoemden zich daar naar: 蟬 Qán.

Na West-Afrika gepasseerd te hebben kwamen de piraten omstreeks 1460 aan in de voor piraterij bijzonder aantrekkelijke Noordelijke Atlantische oceaan. De druk bevaren scheepsroutes tussen de eilanden van Atlantis en Europa leverde meer dan genoeg slachtoffers op, en op de talrijke eilanden van Atlantis, waarvan er veel nog dunbevolkt waren, waren eenvoudig schuilplaatsen te vinden. In 1466 vonden de Qán piraten een schuilplaats die hun definitieve vestigingsplaats zou worden, het huidige Kwang Yung (隍岩 Khuáng Yǝ́ng). Dat gebied was tot de Qán zich er vestigden "niemandsland", d.w.z. onbewoond woest bos- en berggebied. De bevolkingsdruk in het Nagaskische rijk ten noorden en oosten van het gebied was niet zodanig dat ontoegankelijke en weinig productieve gebieden in gebruik genomen moesten worden. Maar voor de Qán was het juist die ontoegankelijkheid die het een perfecte locatie maakte.

De naam 隍岩 "Khuáng Yǝ́ng" betekent zoiets als 'rots waar een beschermgod van een plaats/stadje in huist', maar dat was vermoedelijk niet de oorspronkelijke naam. Het karakter 隍 (khuáng, 'beschermgod van een plaats/stad') was waarschijnlijk oorspronkelijk het identiek uitgesproken 黄 'geel'. De aanvankelijke naam was dus 黄岩 'gele rots/klif'. Er komen inderdaad gelige rotsen en kliffen voor in het land. De verandering in de interpretatie van de betekenis van "Khuáng Yǝ́ng" in gesproken vorm vond waarschijnlijk plaats in de 17e of 18e eeuw toen de Qán niet meer op zee georiënteerd waren maar in een agrarische cultuur met een animistische religie veranderd waren (een religie waarin tal van 隍 khuáng voorkomen). Het Chinese schrift werd toen niet gebruikt. Pas na de herinvoering daarvan in de late 19e eeuw werd 隍岩 de officiële schrijfwijze.

Jǝ Lhiéng Dháo (Ilha de Janeiro)

In 1473 werd Tsing Fú Dháo / Annobón ontdekt door de Portugezen en een jaar later begon kolonisatie en populatie van het eiland. De achtergebleven Qán (die overigens die naam niet gebruikten) werden van Annobón verdreven. Een deel bouwde een nieuwe basis (een zwaar verdedigd fort) op Jǝ Lhiéng Dháo (寂林島) / Ilha de Janeiro (January Island) ten zuidoosten van Tsing Fú Dháo / Annobón; een ander deel laadde hebben en houden op kleine schepen en ging op zoek naar de piraten die drie twee decennia eerder wegtrokken. Het merendeel van hen kwam uiteindelijk - na allerlei omzwervingen - aan in Kwang Yung.

Toen de Qán zich op Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro vestigden was dat eiland al bewoond door de Tugnugt / Jǝ Lhiéng M̊iéng (寂林民), die zich niet naar Annobón verspreid hadden omdat ze geloofden dar de doden naar dat eiland gaan en dat het derhalve taboe is. De Tugnugt leefden en leven in het oerwoud in het noorden van Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro. In dat oerwoud leeft ook een vliegend insect waarvan de beet hoge koorts en stuiptrekkingen veroorzaakt. Dit insect vliegt niet hoger dan circa 2,5 meter boven de grond en komt niet voor buiten het oerwoud (d.w.z. in andere delen van het eiland). De Tugnugt hebben zich aan de aanwezigheid van dit insect aangepast door in de bomen te leven. Ze wonen in boomhutten die verbonden zijn met hangende paden. Sommige van die paden komen uit buiten het oerwoud aan de kust. De Tugnugt leven behalve van wat er in het oerwoud groeit vooral van visvangst (met primitieve catamarans en houten speren) en verzameling van schaaldieren.

In 1478 belegden de Portugezen het Qán fort van Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro en vernietigden alle Qán schepen. Het beleg eindigde na ondertekening van een verdrag waarmee Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro deel werd van Portugal. De Portugese controle bleef echter beperkt tot het vermijden van piraterij. Vanwege voornoemd insect werd het noordelijke deel van het eiland noch door Qán, noch door de Portugezen gekolonialiseerd en de Tugnugt bleven derhalve tamelijk geisoleerd. (Feitelijk bestond en bestaat er een tweedeling in het kleine Qán zuiden en het veel grotere Tugnugt noorden waartussen betrekkelijk weinig contact bestaat. Tegenwoordig staat er zelfs een schutting tussen de twee delen, om voornoemd insect zoveel mogelijk weg te houden uit het zuidelijk deel.)

piraterij (van ca. 1480 tot 1632)

In de periode van vestiging in Kwang Yung tot 1632 bleven de Qán met name Europese schepen en West-Afrikaanse kustplaatsjes overvallen, maar af en toe werden ook Atlantidische kustplaatsjes overvallen, hetgeen mogelijk heeft bijgedragen aan de immigratie naar het binnenland in Atlantidië. Er was incidenteel contact met de Nagaskiërs (en vermoedelijk ook enige, zij het zeer minimale, vermenging). Van de Nagaskiërs namen de Qán behalve landbouwtechnologie en kennis over gewassen ook het schrift over (met enige kleine aanpassingen en aanvullingen). (Het Chinese schrift was door de Qán inmiddels al lang vergeten (als ze dat ooit al beheerst hadden) en werd pas in de 19e eeuw (weer) ingevoerd.)

Na het herstel van het contact met Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro in 1491 verhuisde ongeveer de helft van de bevolking van dat eiland naar Kwang Yung. In de loop van de 16e eeuw verhuisden er meer Qán van Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro naar Kwang Yung, maar incidenteel vestigden zich ook avonturiers uit Kwang Yung op het eiland. Er vestigden zich ook enkele tientallen Portugezen op Ilha de Janeiro, maar de meeste van hen verbleven er slechts kort en hun invloed was beperkt.

Pruisische blokkade (van 1632 tot 1782)

In 1632 zetten de Nederlanders voet aan wal in het huidige Imaginië en kort daarna ontdekten ze de Qán schuilplaats. Om een einde te maken aan de Qán piraterij bouwden de Nederlands een klein fort op een eilandje voor de ingang van de baai van Kwang Yung. Dat fort had maar een kleine permanente bemanning, maar was zodanig gebouwd dat het schier onneembaar was, en beschikte over een paar kanonnen om Qán schepen te verwoesten. Niet veel later werd dit fort door de Pruisen overgenomen. De Pruisen schoten echter niet alleen op schepen die probeerden de baai uit te varen, maar voeren af en toe ook zelf de baai in en schoten daarbij ieder schip (en schip in aanbouw) en havenfaciliteiten in brand. De Qán piraterij kwam hiermee definitief ten einde.

De Qán werden hierdoor gedwongen hun bestaanswijze aan te passen. Ze werden boeren en kustvissers (met kleine roeibootjes). Ze hadden hun land echter niet gekozen om de goede landbouwgrond, maar omdat het een goede schuilplaats was (d.w.z. steil, bergachtig en slecht begaanbaar), en landbouw vereiste dus veel werk en inzet en bleef maar beperkt productief. Er werd wel wat naburig land in gebruik genomen, maar omdat Schellingen in diezelfde periode in zuidwestelijke richting uitbreidde botsten de twee volkeren al snel op elkaar, hetgeen tot de huidige grens leidde.

Vanwege de beperkte beschikbaarheid van landbouwgrond was bevolkingsgroei maar beperkt mogelijk en immigranten waren niet welkom. Dit droeg verder bij aan de isolatie van het land. Van buitenaf was het land afgesloten door de Pruisische "bewakers" die er voor zorgden dat er geen schepen gebouwd werden, en van binnenuit door het verbod op immigratie. De omstandigheden leidde ook tot andere maatregelen die nog steeds zichtbaar zijn, zoals het verbod om huizen te bouwen op landbouwgrond (met de nodige ontsnappingsclausules) hetgeen tot de relatief dichtbebouwde steden en dorpen geleid heeft.

Er was in deze periode vrijwel geen contact tussen Kwang Yung en de kleine Qán bevolking op Jǝ Lhiéng Dháo / Ilha de Janeiro, dat langzamerhand meer onder Portugese invloed kwam. In deze periode ontwikkelde zich een (inmiddels uitgestorven) Portugees-Tjannese creool-taal. In 1778 droeg Portugal Annobón en Ilha de Janeiro over aan Spanje bij het Verdrag van El Pardo. De bevolking van de twee eilanden kwam daartegen in verzet en Spanje deed weinig tot niets om zijn claim op de eilanden te ondersteunen; ze werden derhalve de facto onafhankelijk. In geval van Ilha de Janeiro verhuisde de kleine Portugese gemeenschap en sommige van hun gemengde nakomelingen naar Portugal.

Schellings buitengewest (van 1782 tot 1875)

De Pruisen werden door de Qán gehaat en de onafhankelijkheid van Schellingen in 1782 werd derhalve in Kwang Yung met gejuich begroet. De Qán zochten aansluiting bij Schellingen, maar alvorens de besprekingen daarover goed en wel begonnen waren werd het door de Qán opgeblazen Nederlands/Pruisische fort door de Schellingers weer in gebruik genomen en werd een Schellingse bewindvoerder aangesteld die besluiten van de Qán regering in bepaalde categorieën formeel moest goedkeuren. Kwang Yung werd dus inderdaad min of meer deel van Schellingen, maar wellicht niet op de wijze die de Qán elite zelf voor ogen gehad had. De Schellingse controle werd desondanks niet puur negatief ervaren. Ten eerste bestond er sympathie voor Schellingen als voormalige kolonie van de gehate Pruisen. Ten tweede verboden de Schellingers - in tegenstelling tot de Pruisen - niet alle schepen, maar alleen bewapende schepen en stonden dus wel zeehandel toe. Af en toe controleerde de Schellingse regering wat Qán schepen en in geval van een overtreding van het wapenverbod werden alle Qán schepen verwoest. Dit laatste gebeurde twee maal in de periode 1785-1800, maar daarna nooit meer. Sindsdien heeft Kwang-Yung een door Schellingen opgelegd en gecontroleerd verbod op bewapende schepen, inclusief marine, kustwacht, enzovoorts (en houdt het zich daaraan). In 1793 kwam daar een verbod op een georganiseerd leger bij. Ten derde was de Schellingse politieke invloed in de praktijk zeer beperkt. Alhoewel de Schellingse bewindvoerder in de periode vanaf 1785 formeel het laatste woord had, was Kwang Yung de facto zelfstandig. Het had alleen geen eigen buitenlands beleid of defensie (maar daar ook weinig behoefte aan).

In 1791 sloot Jǝ Lhiéng Dháo zich aan bij Kwang Yung, maar dit werd noch door Schellingen, noch door Spanje erkend. In de praktijk valt het eiland hierna min of meer onder Qán bestuur en - zoals eerder ook het geval was - er komt enige uitwisseling van bevolking tussen de twee gebiedsdelen op gang.

opkomst van het nationaal bewustzijn

In de eerste helft van de 19e eeuw kwam de Qán maatschappelijke elite via de Schellingers in contact met recente Duitse filosofie en wetenschap. Met name een aantal Romantische en aanverwante denkers waaronder Herder en Von Humboldt hadden een grote invloed op het ontstaan van een Qán nationaal bewustzijn. Dit leidde onder andere tot een reconstructie van het Tjannees, de taal van de Qán. Een ander belangrijk effect was een toename van de interesse voor China en de Chinese cultuur. Dit leidde tot een geleidelijke, en tamelijk oppervlakkige sinificatie van de Qán cultuur (die al lang volledig los was geraakt van zijn Chinese wortels), met name van de taal (zie hieronder) maar ook van de religie, en tot de toelating van Chinese vluchtelingen (ondanks de anti-immigratie-politiek) voor de twee Opiumoorlogen in de vroege jaren 1840 en 1860.

Oorspronkelijk was het Tjannees een Chinese taal met enige Bantoe invloed (via de eerste generatie, uit Afrika ontvoerde vrouwen), maar in de loop der tijd was er aanzienlijke Duitse en in mindere mate ook wat Nagaskische invloed geweest. Tussen ca. 1860 en 1865 werd het "zuivere" Tjannees "gereconstrueerd" door Xhou Guei (周慧) en Muong Lhéi Xan (莫雷山). Dat wil zeggen dat zij de Schellingse en andere "vreemde" invloeden uit het Tjannees wegzuiverden en een op het Chinees gebaseerde woordenschat construeerden (op basis van fonologische regelmatigheden die zij in de spreektaal hadden aangetroffen, maar ook onder invloed van het toenmalig in China dominante dialect van Beijing), en het Chinese schrift als het "officiële" schrift van de taal vaststelden. Xhou en Muong's gereconstrueerde Tjannees genoot grote populariteit onder de nationalistische elite van Kwang Yung, die geleidelijk overschakelde op die taal voor haar publicaties maar ook in de dagelijks omgang.

Het gezuiverde Tjannees had echter zijn beperkingen. Er waren bijvoorbeeld nog geen vastgestelde, stabiele termen voor veel moderne staatsrechtelijke, economische en wetenschappelijke begrippen. In de jaren 60 en 70 werden in Japan voor veel van dat soort termen Japanse woorden vastgesteld door Fukuzawa Yukichi en Nishi Amane. Die Japanse termen bestonden uitsluitend uit Chinese karakters en konden dus zonder meer door de Qán overgenomen worden (en later ook door de Chinezen). De Japanse invloed bestond echter uit meer dan wat woorden. Vanaf 1865 ontwikkelde Japan zich snel van een achtergebleven en isolationistisch Aziatisch land tot een modern land, waarbij Westerse en Aziatische ideeën gecombineerd werden. Alhoewel er historisch geen enkele relatie tussen de Qán en Japan bestond, was het land voor de Qán een belangrijke inspiratiebron. Dat zou ook gedurende bijna de gehele 20e eeuw zo blijven.

Vanaf 1867 streefde de Qán regering er naar om het gezuiverde Tjannees als officiële landstaal (en enige taal in het onderwijs) in te voeren, maar de Schellingse bewindvoerder ging daarmee niet akkoord (omdat hij vreesde dat het dan veel moeilijker zou worden voor de Schellingse regering om te controleren wat er in Kwang Yung gebeurde). Dit was koren op de molen van de Qán onafhankelijkheidsbeweging, die pamflet na pamflet tegen de Schellingse "onderdrukkers" publiceerde, en af en toe een protest organiseerde. In 1869 vermoordde een radicale nationalist imam Sǝn Liang Ma (森亮螞) van de moskee van H̊ieng Dhǝ, hetgeen tot een splitsing van de onafhankelijkheidsbeweging in meer radicale en meer gematigde vleugels leidde. De leiders van de gematigde vleugel werkten in het geheim samen met de Schellingse autoriteiten, waardoor de leiders van de radicale vleugel in minder dan een jaar allemaal gearresteerd werden.

In 1872 riepen de Qán (desondanks) eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Schellingen reageerde met een uitnodiging tot overleg (hetgeen tamelijk typisch is voor de conflictmijdende Schellingse volksaard). Imaginië schoof ook aan bij dit overleg, hetgeen in 1875 tot het Verdrag van Guilliano en de oprichting van de Centraal Borealische Vrijhandelszone (CBV) leidde. Volgens dit verdrag zijn de drie landen weliswaar formeel onafhankelijk, maar verplichten ze zich tot verregaande samenwerking en overleg op bepaalde gebieden. Kwang Yung en Imaginië hebben geen eigen defensie, bijvoorbeeld, maar vallen onder de defensie van Schellingen, en ook op gebied van buitenlands beleid overleggen de twee kleinere landen intensief met de grotere buur. Er bestaan geen tolheffingen of grenscontroles tussen de landen, en ook economisch beleid (inclusief belastingen en cijnzen) wordt in sterke mate op elkaar afgestemd. De drie landen hebben ook een gezamenlijke munt.

Of Kwang Yung onafhankelijk is sinds 1872 of sinds 1875 wordt betwist tussen dat land en Schellingen (maar dat heeft alleen tot kortdurige diplomatieke problemen geleid in 1972 toen Kwang Yung 100 jaar onafhankelijkheid vierde en de Schellingse regering liet weten dat dat 3 jaar te vroeg was en dat ze dus geen formele afvaardiging stuurden).

onafhankelijk Kwang Yung (sinds 1875)

Ondanks de officiële aanspraak van Spanje op Jǝ Lhiéng Dháo (vanaf 1778) hebben de Spanjaarden nooit voet op het eiland gezet en in 1876 werd het formeel overgedragen aan Kwang Yung.

Er bestond grote bewondering onder de maatschappelijke elite van Kwang Yung voor Japan dat zich in korte tijd tot een grootmacht in Oost-Azië had ontwikkeld. Op intellectueel gebied was Japan in de eerste helft van de 20e eeuw sterk gericht op Duitsland en de daaruit voortkomende integratie van Duits en Oost-Aziatisch gedachtegoed was van grote invloed op Kwang Yung. Gedurende de hele 20e eeuw bleef het land zich spiegelen aan Japan, ondanks dat er geen historische, etnische of talige relatie is tussen de twee landen. De Japanse militaire opmars in Oost-Azië - inclusief China - werd in Kwang Yung gezien als een poging van Japan om ook de rest van die regio in ontwikkeling te brengen. Berichten over onderdrukking en andere misstanden werden aanvankelijk genegeerd, maar vanaf het eind van de jaren 20 ontstond er in Kwang Yung een kleine, maar groeiende pro-Chinese en anti-Japanse beweging die de verwantschap tussen de Qán en China uitbuitte. Dit leidde er toe dat vanaf het eind van de jaren 30 de regering van Kwang Yung een neutrale houding innam met betrekking tot de Pacifische Oorlog. (Zowel steun aan Japan als aan Japans tegenstanders zou tot opstand in Kwang Yung geleid hebben.)

Kwang Yung bleef niet alleen neutraal in dat conflict, maar in de Tweede Wereldoorlog in zijn algemeen. De Duitse Romantische en nationalistische invloed maakte het moeilijk om zonder meer een anti-Duits standpunt in te nemen, maar de politiek van de nazi's werd eveneens verafschuwd door de Qán (die vanzelfsprekend bepaald geen "Ariërs" waren).

na de Tweede Wereldoorlog

Na WOII nam de regering van Kwang Yung vrijwel onmiddellijk weer een pro-Japanse houding in. De groei van de Japanse economie had indirect grote gevolgen voor Kwang Yung dat geleidelijk distributiecentrum voor Japanse producten in Atlantis werd, en locatie van tal van kantoren en andersoortige vestigingen van Japanse bedrijven. De anticommunistische houding in de Chinese burgeroorlog en daaropvolgende pro-Taiwan politiek had een vergelijkbaar effect met betrekking tot bedrijven uit Taiwan, en ook Korea volgde. Kwang Yung werd zo een economische buitenpost van Oost-Azië (e.e.a. werd bevorderd door economisch beleid en onderwijs in Oost-Aziatische talen). (Sinds 1981 erkent Kwang Yung China en in de afgelopen decennia is ook het aantal Chinese bedrijfsvestigingen in het land sterk gestegen.)

De financiële dienstverlening aan de buitenlandse bedrijven en hun werknemers in Kwang Yung groeide geleidelijk met de toename van Japanse, Taiwanese en Koreaanse vestigingen, en tegen het eind van de jaren 70 was die sector daardoor groot genoeg geworden om zich ook op andere klanten te richten. Hieruit ontstond een grote, internationaal gerichte financiële sector, die één van de belangrijkste peilers van de economie van het land zou worden.