Asjha: 7456.1

Geopoeia
Jump to: navigation, search
Asjhakop.png
9 buutŭnd — hĕĕrj 7456
nummer 9 — voorjaar 7456


Djăjz Jsuudi: ex-bestuurders Pala op alle punten schuldig bevonden

Djăjz Jsuudi: jnŭĕsama qellaqŏdruusĕ Băssejŏŏr jnkaaqsels h ivs opĕn
Palacissewteteneki, 5 jraadqĕjreen 3866 – De bekende Jsorbonese rechter Djăjz Jsuudi heeft vandaag haar vonnis uitgesproken in het door de Kantongraaf van Pala, Graaf Srŏŏ Wĭggj, aangespannen proces tegen een aantal twee jaar geleden door de Kantongraaf gearresteerde bestuurders. Op basis van de haar gepresenteerde feiten acht zij het bewezen dat de bestuurders gedaan danwel nagelaten hebben waarvan de Kantongraaf hen beschuldigde. De banden tussen de ex-bestuurders en bepaalde rovers werden door de getoonde bewijzen volgens de rechter afdoende verklaard, evenals het gebrekkige optreden van de bestuurders tegen de overvallen, plunderingen, en zelfs moorden die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden; getuigenverklaringen van sommige soldaten spraken van bevelen van hogerhand om niet in te grijpen in bepaalde typen misdaden en wanneer misdadigers voldeden aan een bepaald signalement. Over eventuele betrokkenheid van de Deimiongistische Broederschap of buurland Yoğor werd door de rechter met geen woord gerept. De ex-bestuurders zijn wegens hoogverraad ter dood veroordeeld en dezelfde dag nog op het galgenveld buiten Palacissewteteneki opgehangen. De rechter heeft aangekondigd zo snel mogelijk terug naar Jsorbon te reizen, waar het klimaat in meerdere opzichten een stuk milder is dan in Pala.
Aanhangers van de terdoodgebrachte ex-bestuurders hebben met ontzetting gereageerd op de uitspraak en hebben deze geïnterpreteerd als een politiek complot en een poging van het Sambeekse smaldeel van de bevolking van Sambekistan om hun invloed in het Wacamakalit-deel van het land uit te breiden.

Prins Putuconyk ontvoerd op weg van Löde naar Karandis

Qbaaquo r Qebjder Puutjqĭniq Boqqa buu Allĭw bu Kjrăăntse
Bonaldis (Karandis), 14 jraadqĕjreen 3866 – Volgens nog onbevestigde geruchten zou Prins Putuconyk, Prins van de Eerste Tak van Nunat en afstammeling van Zijne Majesteit de Koning en van Koning Kalalit V, nadat deze in Entvęrpem (Löde) gearresteerd was vanwege vermeende betrokkenheid in internationale kunstfraude, tijdens zijn uitlevering aan de autoriteiten van Karandis door onbekenden zijn ontvoerd. De veldwachterij van Löde beweert althans dat Putuconyk niet meer in hun handen is, en twee ordebewaarders in de Karandese grensstad Bonaldis die belast waren met het transport, beweren dat zij hem nooit van hun Lödese collega's hebben ontvangen, hoewel hun verhaal twijfelachtig is, daar het slot van de transportkoets geforceerd was en beide ordebewaarders voorzien waren van builen, gescheurde uniforms en andere tekenen die erop wezen dat zij overmeesterd werden door een groep onbekenden.
Indien bevestigd is niet duidelijk wat de bedoeling is van een ontvoering. Het zou eenvoudigweg kunnen gaan om een bevrijding van de Prins door zijn bondgenoten, maar de veldwachter van Entvęrpem, Bartes Devęveres, meent dat er meer achter zit. Devęveres is er steeds meer van overtuigd dat de Prins een grote rol speelt in de internationale kunstfraude en misschien deel uitmaakt van een omvangrijk internationaal syndicaat van misdadigers, die opereren in heel Taratai.

Pŏzŏr Vlăk aanvaardt uitnodiging van Thurilië namens de Koning

Pŏzŏr Vlăk baaqud dvmeqŭdjqesĕ Hurrĭ q qjarsjdesĕ Basals
Qĭqaotj / Kykawc, 1 qoldis 3866 – Uitvoerend Bestuurder Kozijn Pŏzŏr Vlăk heeft de Thurilische uitnodiging om te praten over het uitschakelen van de roversbendes geaccepteerd namens Zijne Majesteit Koning Xalkĩ V Nunat, Prins van de Eerste Tak van Nunat en afstammeling van koning Kalalit V die naar verluidt aan een keelaandoening lijdt. De uitnodiging werd gedaan door Zijner Majesteits kleindochter, Lothar Olilywysy van Thurilië, en haar man, Lothar Janes (eveneens) van Thurilië die vermoeden dat de rovers gefinancierd worden door de onlangs politiek buitenspel gezette Raad van Ridders. Kritiek dat Sambekistan zich onbedoeld in een intern politiek conflict van Thurilië zou kunnen mengen, werden door de Kozijn weggewuifd: "Wij zijn reeds betrokken in de politiek van Thurilië", zo zou hij gesproken hebben; "niet alleen teisteren Thurilische rovers onze grensstreek (en een eventuele financiering van deze rovers door een van de machten van dat land maakt zulks slechts onaangenamer), maar een van hun staatshoofden is een kleindochter van onze koning en zij heeft hem reeds om steun gevraagd, hetgeen door bepaalde partijen in Thurilië geaccepteerd is."
Terwijl de Thurilische roversbenden onze noordgrens onverminderd teisteren, zijn berichten over overlast door roversbenden in het kanton Pala recent in aantal afgenomen, met de aanslag op rechter Djăjz Jsuudi als voornaamste uitzondering. Of dit in de praktijk ook betekent dat het in Pala rustiger is geworden, of dat men te bang is om er iets van te zeggen, is de vraag. Graaf Srŏŏ Wĭggj, de kantongraaf van Pala, heeft het landelijk bestuur laten weten dat hem de financiële middelen ontberen om een trefzekerder ordebewaarschap op te zetten, terwijl hij bovendien sinds Djăjz Jsuudi's uitspraak enkele weken geleden fanatiek wordt tegengewerkt door aanhangers van de veroordeelde ex-bestuurders.