Asjha: 7453.2

Geopoeia
Jump to: navigation, search
Asjhakop.png
4 buutŭnd — hbŏŏri 7453
nummer 4 — najaar 7453


Ergernis over verwerping verantwoordelijkheid Sdacudoi moordpartij in Tsumenir

Paahus bu buunqaajtsĕ lŭnenbăjemjsĕ r Sjdaqŭŭdter baarjhem hraarems dv Suumnir
Qĭqaotj / Kykawc, 12 birrodtqom 3863 – In Sambekistan is met enige ergernis gereageerd op de reactie van de Sdacudoiaanse Raad van Ouderen ten aanzien van de eis van Kozijn Umtiqytyk Poloxaltuktik, in zijn hoedanigheid als minister van buitenlandse zaken sprekende namens Zijne Majesteit de Koning en namens Koning-Stadhouder Suqolik, Prins van de Eerste Tak van Nunat en afstammeling van Koning Kalalit VII en van Koning Koning Kalalit V, inzake de afhandeling van de moord op de Sambekistaanse gezant in Tsumenir. De verklaring van de Raad dat Sdacudoi als gastland niet verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn gezanten wanneer deze zich in Tsumenir bevinden, noemen velen een gotspe, aangezien Tsumenir in de praktijk nagenoeg deel uitmaakt van Sdacudoi – de plaatselijke hertogen regeren er zelfs dankzij dat land – en men vindt het dus een makkelijke uitweg voor de Sdacudoianen om zich te kunnen onttrekken aan hun verantwoordelijkheid wanneer dat hun uitkomt.
De Kozijn zelf wilde er het volgende over kwijt: “Met vreugde en tevredenheid hebben we kennis genomen van de voornemens van de Sdacudoiaanse Raad van Ouderen ten aanzien van het pensioen van de weduwe van onze gezant Hoqqĭ Dsdaarj; de door de Raad voorgestelde afwikkeling is door Zijner Majesteits regering aanvaard”, aldus de Kozijn. “Onze andere eis ten aanzien van de berechting der moordenaars staat echter; het staat het moederland van de moordenaars natuurlijk vrij hen eerst ter plaatse volgens hun eigen wetten te berechten indien men dat daar nodig acht, maar Zijner Majesteits regering wil dat ze ook in Sambekistan te recht staan voor de moord op onze gezant.” Op de vraag of Sambekistan eveneens het leiderschap in Tsumenir zal contacteren, was de Kozijn kort: “Sambekistan heeft geen formele betrekkingen met Tsumenir”.

Gewelddadige incidenten tegen Irshanisten in het westen van Sambekistan

Moqquw kaasa zq Hirjsăăneqŏdruuŏ dv rŏŏstsĕ Sambeqqĭ Staed
Atolin, 2 butrvadĭ 3863 – In een aantal grote steden is in de afgelopen maanden steeds vaker melding gemaakt van onverkwikkelijke incidenten die Irshanisten of Irshanistische families als doelwit hebben. Die informatie heeft Tusk Etjqupiq Raaq van Qavarŭjt-Ilit-Koriit, in zijn hoedanigheid als minister van binnenlandse zaken sprekende namens Zijne Majesteit de Koning en namens Koning-Stadhouder Suqolik, Prins van de Eerste Tak van Nunat en afstammeling van Koning Kalalit VII en van Koning Koning Kalalit V, ontvangen van plaatselijke machthebbers. In veel gevallen is er sprake van bijvoorbeeld doorreizende Irshanisten die in de uitspanning waar zij overnachten door dronken stamgasten worden belaagd, maar er zijn ook gevallen genoemd waarin Irshanistische families doelbewust opgezocht zijn, hun huizen kort en klein geslagen en soms zelfs afgebrand.

De reden voor de aanvallen is een mogelijk verband tussen Irshanisten en de Deimiongistische Broederschap. In het westen van ons land is die Broederschap weliswaar nog niet actief geweest (hoewel enkele kleine misdaden door plaatselijke ordebewaarders met de Broederschap in verband zijn gebracht, maar er wordt deels vermoed dat dat is omdat de ordebewaarders in kwestie hun zaken niet op een bevredigendere manier hebben weten op te lossen), maar geruchten over overvallen, ontvoeringen en andere gruweldaden in het zuidoosten van het land lijken in het westen onder het volk een eigen leven te zijn gaan leiden.

De minister heeft opgedragen dat de orde bewaard moet worden. “De geruchten moeten worden uitgebannen; hoewel ik het niet eens ben met hun levensstijl, gedragen Irshanisten zich in het algemeen vredelievend en vormen zij geen last of bedreiging voor de Sambekistaanse maatschappij. Zeker in de grotere handelssteden kunnen we niet hebben dat bezoekers zich onveilig voelen, omdat burgers ‘iets gehoord hebben’; dat is slecht voor de zaken!”, zei de minister. “Overtreders kunnen een week op water en brood in het gevang tegemoet zien, of een straf kan naar eigen goeddunken worden bepaald wanneer de genoemde straf in vergelijkbare gevallen reeds de normale straf is.”

De regering heeft intussen meer troepen naar het zuidoosten gestuurd om daar jacht te maken op rovers. Gezanten die naar het oostelijke buurland Yoğor gestuurd zijn om de regering van dat land te verzoeken harder op te treden tegen Deimiongistische rovers die het grensgebied tussen de twee landen zouden gebruiken om aan Sambekistaanse ordebewaarders te ontsnappen, werden overigens tamelijk koel onthaald toen zij het doel van hun bezoek bekend gemaakt hadden. De autoriteiten van Yoğor leken haast beledigd te zijn door het Sambekistaanse verzoek om gezamenlijk tegen de bendes op te treden, alsof ons land Yoğor ervan betichtte verantwoordelijk te zijn voor de roversbendes.

“Zijner Majesteits regering beschuldigt Yoğor van geen enkele gruweldaad”, lichtte de minister van binnenlandse zaken namens zijn collega van buitenlandse zaken toe. “De rovers weten echter steeds aan onze ordebewaarders te ontsnappen; het is logisch aan te nemen dat Yoğor als toevluchtsoord kan dienen, of de clanhoofden van Yoğor daarvan nu op de hoogte zijn of niet. Tenzij er sprake is van hekserij, verdwijnen die rovers tenslotte niet in het luchtledige!” Op de anonieme beschuldigingen over de manier waarop de Sambekistanen hun land besturen, wenste de minister niet te reageren.

“Pruikenobsessierups bereikt koninklijke familie”

“Qoqqatmeerrib haarăŏ sardne basalve pămaqĭnds”
Qĭqaotj / Kykawc, 30 butrvadĭ 3863 – Volgens onbevestigde bronnen zou de pruikenobsessierups de pruiken van leden van de koninklijke familie bereikt hebben. Niemand minder dan prins Xalkĩ, Prins van de Eerste Tak van Nunat, oudste zoon van Zijne Majesteit de Koning en afstammeling van Koning Kalalit V (die overigens tevens de oom van prinses Olilywysy, de Co-Lothar van Thurilië, is) zou sedert enkele dagen geteisterd worden door de ernstig jeukende blaren die contact met de rups veroorzaken, en derhalve aan zijn bed vastgebonden zijn waar hij hevig kermend de werkeloze geneesmiddelen van zijn heelmeesters ondergaat.
De eerste voorzichtige voorstellen om tijdelijk geen pruiken te dragen, zijn verontwaardigd verworpen: zonder pruik is men tenslotte niemand! Verdere suggesties dat de rupsen handmatig aan de pruiken toegevoegd zouden worden, worden onderzocht: tot nu toe is het onbekend hoe de rupsen zich verspreiden waardoor menselijke tussenkomst een gerede mogelijkheid vormt, in welk geval de boosdoeners onder de dienaren gezocht moeten worden.